|
Sonnet 2 van William Shakespeare
When forty winters shall besiege thy brow And dig deep trenches in thy beauty's field, Thy youth's proud livery, so gazed on now, Will be a tattered weed of small worth held. Then being asked where all thy beauty lies, Where all the treasure of thy lusty days, To say within thine own deep sunken eyes Were an all-eating shame and thriftless praise. How much more praise deserved thy beauty's use, If thou couldst answer: 'This fair child of mine Shall sum my count and make my old excuse', Proving his beauty by succession thine. This were to be new made when thou art old, And see thy blood warm when thou feel'st it cold.
Vertaling van Jules Grandgagnage (2010):
Na veertig winters, je gezicht doorploegd Van tijd en weer waar is je schoonheid nu? Versleten als een kleed dat je eens droeg! Verdwenen met je praal, jij parvenu! Waar ligt je ware schoonheid dan verborgen, Als iemand er om vraagt dan weet je 't niet. Of wijs je dan op je verzonken ogen, Waar schaamt' en spijt verteert wat niemand ziet? Een zonde is het dat je zo verspilt Wat voor je toekomst zoveel had betekend. Als je kon zeggen:dit kind heb ik gewild, Het gaf een zin en richting aan mijn leven: Zo vindt je bloed een warme levensstroom, Waar anders koude wacht als stervensloon.
Oudere vertalingen in publiek domein
Vertaling van Leendert Burgersdijk (1888) Bron: Frank lekens . Als veertig winters uw gelaat berennen, Loopgraven delven in der schoonheid veld, Wie zal dan ’t prachtkleed uwer jeugd herkennen, Eens hooggeroemd, dan voor een vod geteld? Dan vraagt men, waar uw schoon is heengetogen, Waar heel de schat is van uw lentetijd; En zegt gij: „In deez’ diepgezonken oogen”, ’t Ware eeuw’ge schande, een roem, die niet gedijt. Wat and’re roem, droeg uwe schoonheid rente, En kondt gij zeggen: „Ziet, dit schoone kind Betaalt mijn reek’ning, schuldvrij is mijn lente; Mijn erf’nis is ’t, wat elk zoo lieflijk vindt”! Zoo wierdt gijzelf verjongd, al zijt gij oud, En zaagt uw bloed verwarmd, al voelt gij ’t koud.
Vertaling van
|