|
Sonnet 1 van William Shakespeare
From fairest creatures we desire increase, That thereby beauty's rose might never die, But as the riper should by time decease His tender heir might bear his memory. But thou, contracted to thine own bright eyes, Feed'st thy light's flame with self-substantial fuel, Making a famine where abundance lies, Thyself thy foe, to thy sweet self too cruel. Thou that art now the world's fresh ornament And only herald to the gaudy spring, Within thine own bud buriest thy content, And, tender churl, mak'st waste in niggarding. Pity the world, or else this glutton be, To eat the world's due, by the grave and thee.
Vertaling van Jules Grandgagnage (2011):
Een mooie mens moet ons zijn kinderen geven, Zijn gratie mag niet als een roos vergaan, Het is het kind dat hem doet verder leven Als hij allang van ons is weggegaan. Maar jij, gevangen door je eigen beeld, Jij voedt je vlam met eigen vlees en wezen Tot niets ons rest, niets dat je hebt gedeeld. Je zoete zelf hoeft slechts zichzelf te vrezen. Je siert de aarde als een frisse blom, De bode van een kakelbonte lente, Je eigen knop blijft echter dicht en stom Jij lieve dwaas, bewaart het als een krent. Verteer jezelf en wat de wereld toebehoort niet in het graf, het ware kindermoord
Oudere vertalingen in publiek domein
Vertaling van Leendert Burgersdijk (1888) Bron: Frank lekens . Zich te vermeerd’ren is der schoonsten plicht, Opdat de roos der schoonheid nimmer sterve, Maar, velt de Tijd de rijp’re met zijn zicht, Een teed’re spruit haar naam en schoonheid erve; Doch gij, door ’t eigen stralend oog geboeid, Voedt met uzelf als brandstof uwe vlam, Wekt hongersnood waar alles welig groeit, Zijt vijand van uzelf en van uw stam. Gij, wien een elk der wereld pronkstuk acht, En als der blijde lente bode groet, Begraaft in uwen knop uw rijke pracht, Spilt sparend schatten, vrek met zacht gemoed! Heb meêlij met de wereld, ga niet voort; Verslind niet, gij en ’t graf, wat haar behoort!
|